Geregistreerde opname-instellingen opgeroepen
Stelt u in staat een beeld op te nemen nadat de gewenste opname-instellingen zijn opgeroepen die zijn geregistreerd met [
Cam.-inst.geheug].
-
Stel de camera in op de gewenste opnamefunctie met behulp van de stilstaande/bewegende beelden/S&Q-keuzeknop.
-
Om MR1 of MR2 op te roepen, zet u de functiekeuzeknop on de stand van het gewenste nummer.
Om MR3 tot en met MR10 op te roepen, zet u de functiekeuzeknop in de stand
(uitgeschakeld).
- Als u de functiekeuzeknop in de stand
(uitgeschakeld) zet, kunt u MR1 tot en met MR10 oproepen met behulp van het menu. Selecteer de gewenste opname-instellingen in [Opn.modus].
- Als u de functiekeuzeknop in de stand
Hint
- Als u [Opn.modusschakel.] toewijst aan een customknop, kunt u de geregistreerde opname-instellingen ook oproepen door herhaaldelijk op de knop te drukken in plaats van met behulp van menubedieningen.
Opmerking
-
Als u de opname-instellingen oproept nadat u al instellingen voor het opnemen hebt gemaakt, krijgen de instellingen die zijn opgeroepen uit [
Cam.-inst.geheug] voorrang en kunnen de oorspronkelijke instellingen ongeldig worden. Controleer de indicators op het scherm voordat u opneemt.
- Als de instelling van de gleuf waarin de beelden worden opgenomen wordt gewijzigd, worden de opname-instellingen pas toegepast als het schrijven naar de geheugenkaart is voltooid, zelfs wanneer de functiekeuzeknop in de stand 1/2 wordt gezet.
TP1001939154